Boekomslag

De Duivelskunstenaar

Fragment

Het slijk zuigt zich hier zo lekker vast aan je schoenen. Elke stap smakt even na. En als je niet uitkijkt zak je erin weg tot je enkels.
Nooit gedacht dat ik opgetogen kon raken van rechte wegen vol blubber. Alleen mijn zere voeten waren minder blij: na een tocht van zes weken was er van de zolen van mijn schoenen weinig meer over.
Ik nam me voor om vanmiddag nog bij de lapper langs te gaan en een nieuw paar te bestellen. En ergens een hete tobbe te regelen. En mijn blaren door te prikken.
Het was niet ver meer. Kijk, daar had je de Sint-Jan al. En ik was de Maas nog maar net overgestoken. Allemachtig, wat een gevaarte werd het toch. Moest het soms een nieuwe toren van Babel worden?
Ik versnelde mijn pas. Puttertjes dansten voor me uit van boom naar boom. Een zware knol kwam aan het hek staan en tilde nieuwsgierig zijn hoofd op, zo van: Vertel eens, kerel, wie was jij ook alweer? Het gele speenkruid lachte en ik lachte terug.
En wie kwam daar aanlopen? Een heikneuter die af en toe steun moest zoeken bij het hek omdat hij dreigde te bezwijken onder de last aan takken op zijn rug. Terwijl hij stond uit te hijgen had ik gelegenheid om hem eens goed op te nemen. Korte O-benen, zo rond, daar had een kanon tussendoor kunnen schieten, oren groot en verwrongen als zwammen, een blik leeg van vermoeienis en andere ellende. Ach, wat had ik met die kerel te doen.
Hij stak zijn knokige hand naar me uit. ‘Bent u niet...?’
Ik deed een paar passen in zijn richting. ‘Kennen wij elkaar?’
‘Nou, ik ken uw neus. Dat is een Van Aken-neus.’
Ik knikte verrast.
‘Ja, mijn ogen doen het nog goed. Ik was vroeger bij uw vader in dienst als houthakker. Uw broer...’
‘Goessen?’
‘Precies, Goessen van Aken. Uw broer en mevrouw Kathelijne hebben toch een tweede zoontje gekregen? Dat is althans het laatste wat ik heb meegekregen. Hij moest me niet meer, kon elders beter en goedkoper hout krijgen.’ Hij spuwde op de grond. ‘Twintig jaar, meneer, heb ik voor uw vader hout aangesleept.’
Moest ik soms zeggen dat God het hem zou lonen? Ik zweeg.
‘Zo zo, een Van Aken dus. Ik hoop dat uw vader de rust krijgt die hij verdient, dat meen ik oprecht. Ze zeggen dat die Turken uw jongste broer hebben meegenomen om het volk in Constantinopel te laten zien hoe een goddeloze eruitziet, en dat de Turken van de weeromstuit nog twee keer zo hard zijn gaan vechten. Maar ja, ze zeggen zoveel.’
‘Over wie heeft u het nu?’
‘Over wie ik het heb? Over uw jongste broer natuurlijk, die Jeroen.’
‘Maar Jeroen, dat ben ik.’
Zijn ogen gingen wijd open. Hij deed een aarzelende stap achteruit, mompelde goeiendag en vervolgde zijn weg.
Ik moest er hartelijk om lachen. Dit was nog eens een onthaal. Zo was de Brabander: rechtdoorzee en hard werkend voor zijn zielenheil. God hield van nuchter en eerlijk, van ietwat simpel van geest met een vleugje misvorming.
Wat viel die goedzak kwalijk te nemen? Het zou tijd kosten. De mensen zouden moeten wennen aan het idee dat ik niet meer de schelm en vrijdenker was van weleer.
Ik had het allemaal aan mezelf te wijten. Wat had ik een rare streken uitgehaald...
‘Jeroen, de kerk is niet om verstoppertje te spelen.’
‘Jeroen, een varken is niet om op te rijden.’
Dat was de tijd dat de mensen me op straat ook veel te nauwlettend in de gaten hielden. Ik zag ze wel smoezen, met zo’n ongunstige blik. Die keer dat we voor ons spel op straat krijt nodig hadden, had ik alleen maar gevraagd of een van de buurtkinderen nog een gipsen voorwerp over had. Toen er vervolgens een heiligenbeeldje aan diggelen ging, wezen de ouders onmiddellijk naar mij. Ik zou hen ertoe hebben aangezet.
‘Is er dan niets veilig voor die jongen?’ Heilig of veilig, ik weet niet meer zeker wat mijn vader riep, maar zijn hoofd was rood aangelopen.
Het maakte niet eens uit wie van ons iets had uitgespookt – ik was hoe dan ook de klos. Op het laatst had ik geen knieën meer over van het bidden om vergeving. Als ik dan samen met moeder om voorspraak van Maria bad, keek het beeldje altijd wat bedremmeld op mij neer. Misschien was het ook wel bang dat het de langste tijd had gehad.
Voor de bakker moest ik echt uitkijken. Die vond al snel een reden om te meppen. En hij was nog niet klaar of hij ging ook nog eens verhaal halen bij vader, zodat ik een tweede portie kreeg. En die deed meer pijn. Anders dan de bakker, die met vlakke hand overal mepte waar hij me raken kon, sloeg vader alleen op mijn blote gat. Maar dan had wel de gesel een poos in het water gelegen, zodat het leer soepel was.
Van het een kwam het ander. Toen ik mijn vrienden op straat de striemen op mijn kont had laten zien, dreigden ze me met de schandpaal.
Het was Kathelijne geweest die me geruststelde dat ik niets te vrezen had. ‘Je trekt je handen en hoofd er zo weer uit, joh. Jij bent veel te klein voor die gaten.’
Ze had nog gelijk ook, zoals altijd.
Al met al ben ik me misschien wat stiekem gaan gedragen. De ene argwaan voedt de andere. En ja, wie zich ongevraagd met mijn opvoeding meende te mogen bemoeien, of nog ernstiger, met mijn tekeningen, die kon een paardenvijg door het raam krijgen.
Enfin, hoog tijd om een en ander recht te zetten. Ik vervolgde mijn weg.
Mijn ontmoeting van zojuist had het maar weer bevestigd: een trieste, getekende medemens die een waarachtig leven leidt roept het edelste in mij op. Zo was ik nu eenmaal diep vanbinnen. Had ik niet ook mijn laatste ijdelheden afgeworpen? De schellen waren me van de ogen gevallen. De hemelkoepel leek weidser, ik kon meer lucht kwijt in mijn borstkas.
Voortaan hoefde ik geen moeite meer te doen om de gunst van anderen te winnen. Met gilden of kerkmeesters had ik niets meer te maken – dan maar geen ambachtsman. Vaarwel, huichelaars, machtswellustelingen en geldwolven van de wereld! Ik ken jullie geur inmiddels iets te goed. Zodra ik die opvang, loop ik een blokje om.
Vrijheid, vrijheid, vrijheid! Wat me in Venetië was gelukt – prenten in alle soorten en maten verkopen – kon hier immers ook. Ik zou voortaan van de hand in de tand leven, niet gehinderd door bezit of bindingen: ik mocht genieten van de koeien en de pinksterbloemen, van de avondhemel, van spelende kinderen.
Ik kon zelfs terugkeren naar mijn geboortestad.

Den Bosch, voorjaar 1481. Jeroen van Aken komt na zeven jaar straatarm terug uit Venetië. Hij trekt voorlopig in bij zijn oudere broer Goessen, die een schildersatelier heeft en getrouwd is met Jeroens jeugdliefde Kathelijne. Zij haalt Jeroen over weer te gaan schilderen: het drieluik waar zijn broer geen gat in ziet. De aantrekkingskracht tussen Jeroen en Kathelijne is onverminderd groot. Maar hij worstelt met zijn gevoelens en twijfelt aan zijn talent. Wanneer het laatste paneel van het drieluik zijn voltooiing nadert, staat Jeroen voor een onherroepelijke keuze.

De Duivelskunstenaar verschijnt in een gebonden editie van 256 bladzijdes.

Prijs: €19,99.

eBook (ISBN 9789024571505): €12,99.

‘Boeiend verhaal over een schilder die zijn tijd ver vooruit lijkt te zijn. Bijzonder knap geschreven.’
Wim Krings (boekhandel Krings, Sittard, ex-panellid DWDD).

´Rozemond schetst overtuigend het dagelijks leven in het middeleeuwse ’s Hertogenbosch. De Duivelskunstenaar is prettig leesbare, geslaagde, historische roman over een bijzonder fenomeen.´
(Daan Welboren, Nauta Boeken)

'Fabelachtig! Alsof je meekijkt over de schouder van Jeroen Bosch bij de schepping van de Tuin der Lusten' - Mireille Pritz, verkoopadviseur Boekhandel Paagman Den Haag

This website is built by byKosmo.