Boekomslag

Apollovlinder

Synopsis

Van de ene op de andere dag is Morten, de man van Charlotte, verdwenen. De politie heeft na twee weken maar weinig aanknopingspunten. Dan is ze het vergeefse wachten zat. Hoezo is hun gezamenlijke vriendin Sophie opeens op vakantie in Zwitserland? Ze heeft een sterk vermoeden...

Ze besluit zelf actie te ondernemen. Ze neemt de auto en gaat op weg, niemand die ergens van weet. Ze laat de kinderen achter bij haar moeder en vertrekt spoorslags en vastberaden, maar angstig voor wat ze zal vinden. Wat zal ze aantreffen in het Alpenchalet? In wat voor duistere zaakjes is Morten verstrikt geraakt? Balkanmaffia? Wat weet iemand als zij van Balkanmaffia, van afrekeningen met informanten of vrouwenhandel?

Ze weet alleen dat ze hem terug wil, voor zichzelf en hun twee dochters. Langzaam wordt Charlotte duidelijk dat haar man verwikkeld is geraakt in een vete tussen een Servische en Kosovaarse drugsbende. Het lijkt in eerste instantie of hij als informant is opgetreden, maar het blijkt nog gecompliceerder te liggen: het gaat om vrouwenhandel.

Hoe langer ze hem zoekt, des te nadrukkelijker komt ze zichzelf tegen. Wanhoop, slaapgebrek en spanning doen haar gedachten afdwalen naar het verleden. Ook met zichzelf moet ze de confrontatie aangaan. Heden en verleden blijken nauwer met elkaar verstrengeld dan Charlotte ooit had kunnen denken ...

Kritieken

Een ijzingwekkende thriller. (Haarlems Dagblad)

Rozemond heeft een ambitieuze thriller afgeleverd, die niet ongunstig afsteekt bij de werkstukken van een heel stel collega’s uit eigen land (★★ VN-thrillergids)

Fragment

Beide jaszakken zocht ze gelijktijdig door. Links voelde ze huissleutels, in de rechter vond ze die van de auto. Nu kon ze dan echt gaan. Ze was de drempel van het huis gepasseerd met een vage notie dat deze de grens markeerde tussen twee verschillende fases in haar leven. Ze was klaar voor wat ging komen. Klaar om dingen onder ogen te zien Om van hun huwelijk te redden wat er te redden viel. Op het moment dat ze de voordeur met twee slagen naar rechts op slot deed, was het bijna kwart over drie ’s middags, 18 oktober.

Daar stond ze, Charlotte, een vrouw van net over de veertig. Ze oogde attractief, zonder dat iets in het gezicht speciaal de aandacht trok. Misschien haar heldere ogen of de geprononceerde jukbeenderen. Haar kleding was smaakvol; hooguit deed de combinatie beige jas, lichtblauwe broek en frambozenrood shirtje wat wonderlijk aan.

Terwijl ze haar reistas optilde, verzekerde ze zich er met een vluchtige hoofdbeweging van dat de buren haar vertrek niet hadden opgemerkt. Er verschoven geen vitrages in de erkers. Gelukkig, niemand zou haar nog aanklampen en uithoren over recente ontwikkelingen. Geen opdringerige deelneming meer, geen Wilma van nummer 13 met haar kleffe aanrakingen. Ze liet het hekje achter zich dichtvallen en wierp een laatste blik op het huis. Yuca’s voor de ramen. Nooit eerder was het zo nadrukkelijk een rijtjeshuis, leeg, niet het kasteel met zes kamers waarvan ze als kind had gedroomd. Het stond hier ingeklemd in een lijnrechte straat en het zou blijven wachten tot het opnieuw met stemmen werd gevuld.

Ze opende het portier van de blauwe Nissan en haalde diep adem. Wind waaide om haar hoofd, wind die herfstachtig bitter rook. Ze vroeg zich af waarom ze zich nog steeds onrustig voelde, alsof iemand haar op de hielen zat. Het had allemaal iets stiekems, dat maakte het ongemakkelijk. Ze ging aan het stuur zitten en trok het portier dicht. Ze deed haar gordel om, keek in de binnenspiegel en zag een gezicht dat net had gehuild. Ze streek met vlakke handen het halflange, bijna zwarte haar naar achteren en deed haar best om dapper te kijken. Het was een godswonder dat ze in de stress nog aan haar paspoort had gedacht. Waren de lichten uit, de ramen dicht, stond de thermostaat laag? Toen ze geen vragen meer wist, startte ze de motor.

Op dat moment kwam een auto precies naast haar tot stilstand. Ze keek opzij. De schrik sloeg haar om het hart, want ze kende de auto al even goed als zijn bestuurder. Kleine details in de zaak waren voor de inspecteur genoeg aanleiding om even langs te komen. Wat een cynisch toeval dat hij net op dit moment verscheen. Degene die haar tot de reis had aangezet was tegelijkertijd degene die op het laatst roet in het eten leek te gooien. En noch van het een, noch van het ander had hij weet. Ze moest rustig blijven, prentte ze zich in, schrikken mocht best. De reistas lag buiten zicht in de kofferbak.

Ze draaiden allebei hun raampje open.

‘Goed dat ik u nog aantref,’ zei hij, ‘was u van plan weg te gaan?’

‘Ja, eh... ik ging net de kinderen ophalen.’

‘Als u naar school gaat, dan...’

‘Nee, ze zijn bij mijn zus.’

Hij zette zijn motor af; haar restte niets anders dan hetzelfde te doen. Hij nam haar onderzoekend op. Alsof hij het hele plan van haar voorhoofd kon lezen. Ze was kwaad op zichzelf dat ze niet even de tijd had genomen make-up op te doen.

‘Ik vroeg me af of u toch misschien even zou kunnen meekomen?’

‘Meekomen?’

Ze lachte en wist zelf niet waarom.

‘Ja, ik had al gebeld. U nam niet op.’

‘Ja maar hoezo? Waarheen?’ vroeg Charlotte.

‘We hebben een tip gekregen van onze collega’s van Narcotica. Het gaat om een huis in de straat van uw fysiotherapiepraktijk.’

‘Meneer De Zeeuw, het spijt me, maar, eh... wat moet ik daarmee? Ik heb nogal haast.’

‘Het duurt niet lang. Misschien wilt u uw zus even bellen. Een collega wacht namelijk bij de praktijk op ons. We willen u wat laten zien. Iets geks. U hoeft niet per se mee naar binnen, het ziet er daar eerlijk gezegd nogal liederlijk uit, hoe zal ik het zeggen, vrouwonvriendelijk...’

‘Waar gaat het precies om?’ zuchtte Charlotte.

‘Dat zeg ik, het gaat om een huis. En het lijkt erop dat het sinds 3 oktober leegstaat.’

‘3 oktober?’

‘Precies.’ Hij begon zijn geduld te verliezen. ‘Ik rij u daarna terug. Heus, het...’

‘Oké, ik rij in mijn eigen auto wel achter u aan. Dan kan ik daarna namelijk meteen door.’

Hij keek enigszins bevreemd, maar stemde stilzwijgend toe door zijn motor opnieuw te starten.

Nog geen tien minuten later reden ze achter elkaar over het Spaarne, onder de spoorbrug door en daarna bij de Amsterdamse Poort linksaf. Inspecteur De Zeeuw bleef zonder haast op de rechter rijstrook hangen. Dadelijk moesten ze rechtsaf, naar Schalkwijk. Op het moment dat ze verderop de verkeersborden zag opdoemen, gebeurde er iets in Charlotte. Ze had zich deels al neergelegd bij uitstel van haar reis, maar haar andere, hardnekkiger zelf had in stilte gegokt op de mogelijkheid die zich nu aandiende. Even hield ze het voor mogelijk dat hij haar moedwillig op de proef stelde. Onzin natuurlijk. De T-splitsing naderde. Het schoot als een lading elektriciteit door haar heen: ze moest haar kans grijpen bij de stoplichten. Waar ze op hoopte, gebeurde inderdaad. Doordat ze iets vertraagde, ontstond tussen beide auto’s enige speling. Eerst kwam één auto tussenbeide, daarna voegde een tweede in. Tot zover ging alles goed. De stoplichten stonden voor alle richtingen op groen. De Zeeuw stak zijn richtingaanwijzer uit, Charlotte deed hetzelfde. Intussen hield ze de rijbaan links van zich scherp in de gaten. Ze moest wachten tot het allerlaatste moment. Daar kwam de bocht. De Zeeuw sloeg rechtsaf, de Prins Bernhardlaan op. Charlotte trok aan haar stuur, schoof een rijbaan op en reed rechtdoor. Uit haar ooghoeken zag ze zijn auto de andere kant op rijden. Hij kon niets meer doen. Charlotte gaf gas en haalde het ene na het andere voertuig in. Ze stoof in de richting van de snelweg.

Vrijwel onmiddellijk hoorde ze het geluid van haar mobiel vanuit de tas naast zich. Geen haar op haar hoofd die eraan dacht op te nemen. Ze moest nu rijden! Het duurde even voor ze zich volledig realiseerde wat ze had gedaan. ‘O god, o god, waar ben je allemaal mee bezig, Charlotte?’ prevelde ze voor zich uit. Wat had ze voor verweer als een motoragent achteropkwam en haar alsnog tot stoppen dwong? ‘Zo, zo, waartoe moederliefde al niet aanzet, hè!’ Ze zou door de grond gaan. Nauwlettend hield ze haar spiegel in de gaten. Het leek te helpen, voorlopig was er niemand te bekennen.

Ze zocht naar snoepjes, ze zocht haar zonnebril. Het duurde even, maar toen ze iets rustiger was geworden, vond ze dat het lot het maar moest zeggen. Als er nu nog politie opdook, dan had ze achteraf de verkeerde beslissing genomen. Dan was ook duidelijk dat ze thuis had moeten blijven. Dat ze het onderzoek aan de politie moest overlaten.

This website is built by byKosmo.