Boekomslag

Schimmenspel

Synopsis

Aan het zorgeloze leven van Norbert Camperman komt in 1961 abrupt een einde: bij een verkeersongeluk in Schotland overlijden zijn broer Eugène en diens dochtertje. Omdat hij ervan overtuigd is dat zijn broer daarna met enige regelmaat aan hem verschijnt, laat Norbert zich onder behandeling stellen van een therapeut. Twee jaar later ontvangt hij een brief van Eugène uit Edinburgh en reist hij terug naar de plaats van het ongeluk om te bewijzen dat zijn broer nog leeft. Is Norbert, zoals iedereen denkt, slachtoffer van een psychose of wordt er een weerzinwekkend spel met hem gespeeld? Dan wordt in het hotel waar hij verblijft een kamermeisje vermoord en blijft de labiele Norbert als enige verdachte over.  

Meer dan veertig jaar na dato leest Norberts zoon het gevangenisdagboek van zijn vader. Hij is vastbesloten te achterhalen wat er werkelijk is voorgevallen.

Kritieken

Rozemond speelt een bijna pervers spel met zijn lezers. Gegevens worden zorgvuldig gedoseerd, maar tergend langzaam, opgediend. De lezer kijkt naar een druppelende kraan in afwachting van het moment dat de emmer vol zal zijn. De spanning is om te snijden. De behoefte aan duidelijkheid overweldigend…

De plot is ingenieus. Geloof en ongeloof vechten om voorrang. Rozemond sleurt ons mee langs depressies, angsten, schizofrenie, associatieve werkelijkheden en auditieve en visuele trauma’s. De menselijke geest lijkt uitsluitend dwaalwegen en doodlopende paden te kennen en de lezer moet ze allemaal bewandelen voordat er licht aan de horizon gloort. Schimmenspel is dan ook niet alleen een leesboek, maar tevens een emotionele reis door de donkerste krochten van de geest. Een angstaanjagende psychologische thriller, die zich kan meten met de beste buitenlandse thrillers in het genre. ★★★★ (Crimezone)

Vooral de wat losgeslagen en toch burgerlijke jaren-zestig-sfeer is goed getroffen. Het doet qua verhaal en qua stijl denken aan de korte verhalen van Edgar Allen Poe. Poëtisch, afstandelijk en toch eigentijds. (★★★ VN-thrillergids)

Zeer knap geconstrueerde meergelaagde thriller met de juiste dosering aan (des)informatie om de lezer verlangend te doen doorlezen. Dat het einde wat in mineur is, kan aan de verdiensten van deze intelligente psychologische thriller geen afbreuk doen. (bibliotheekdienst)

Fragment

Aan weerszijden van de hoofdingang had zich een man opgesteld, die ik voor geen cent vertrouwde. Ze leken niet in het minst op de overige treinreizigers, die haast hadden, afscheid namen of ten minste op hun horloge keken. En een krant verkochten ze ook niet. Ze keken uit naar iets of iemand, zo veel was me duidelijk. En als ik die iemand was, hoe kwam ik dan naar binnen?

Ik liep linksom onder een viaduct en stond na een minuut of wat op een lange brug over het spoor. Nog voor ik kon overwegen naar beneden te springen om dan maar zo op het perron te geraken, trok ik de aandacht van twee schooiers verderop, die hun voorraad bier op de brugleuning hadden uitgestald. Ik maakte rechtsomkeert en probeerde de andere kant van het station, maar nadat ik om een voornaam hotel heen was gelopen, stuitte ik op een twee meter hoge stenen muur. Ik moest vaststellen dat ik niet op het station kon komen zonder op te vallen.

Op het moment dat ik opnieuw langs de hoofdingang kwam, zag ik een oudere dame met een koffer en een tas op de ingang toe lopen. Ik vroeg of ik haar mocht helpen. Zonder een antwoord af te wachten nam ik haar bagage uit handen en liep met haar op. Mijn hoed had ik iets dieper in de ogen gezet. In mijn rechter hield ik koffer en tas, met mijn linker ondersteunde ik haar schouder.

‘Wat bezielt u, meneer?’
‘Gaat het, moeder?’ vroeg ik luid toen we dicht langs een van de mannen liepen.  
‘Wat moet dit allemaal?’ vroeg de vrouw harder dan me lief was.
‘U ziet er pips uit, we moeten absoluut een plaats aan het raam hebben.’
Ik kon onmogelijk zien wie er allemaal naar ons had omgekeken, maar we stonden opeens in de hal.

For heaven’s sake, let me go!’
‘Of course. I beg your pardon.’
Beledigd liep ze naar het loket. Ik schuifelde achter haar aan.
‘Wat wilt u nu nog van me?’ vroeg de vrouw snibbig.
‘Niets, geloof me, ik moet alleen een kaartje kopen.’

Ze wendde zich beledigd af. Het speet me niet dat zij naar Glasgow moest. Ze waggelde naar haar perron. Mijn inschatting klopte, de koffer was echt te zwaar voor haar. Zelf kocht ik een kaartje naar Kyle of Lochalsh. Ik wist van Stella dat ik daar de boot naar Skye zou kunnen nemen. Gelukkig vond de baliemedewerker niets vreemd aan mijn bestemming.  
‘In Inverness overstappen,’ mompelde hij en schoof me een grijs treinkaartje toe dat kleiner was dan een lucifersdoosje.
      
Ik nam plaats op een bank op het perron en hield me verscholen achter een handkar met koffers. Toen liep met een hoge fluittoon de trein naar Inverness binnen. De glimmend groene locomotief blies het hele station vol rook. Ik bemachtigde de laatste vrije plaats in een volle coupé. Er viel een last van me af toen de deuren dichtsloegen en de trein zich in beweging zette. Links van me las een ernstige dame een niet minder ernstig boek. Haar parmantige hoedje had ze niet eens afgedaan. Aan de andere kant van het gangpad keek een soldaat op verlof verveeld uit het raam. Tegenover me hielden vader en dochter elkaars hand vast. De anonimiteit van deze ruimte deed me goed. Niemand behalve Stella kon weten dat ik onderweg was naar Skye. Ik stelde me voor hoe vliegtuigen en boten naar Nederland werden gecontroleerd. Vergeefs, zelfs Claire zou de politie niet kunnen helpen mij te vinden. Voorlopig was ik uit de penarie en ik zakte dan ook weldra weg in een diepe roes.  
Het zal een klein uur later zijn geweest toen ik door een schok van de trein – ik meen dat we over een wissel reden – met mijn knie tegen het been van mijn buurvrouw stootte, waardoor haar boek op de grond viel. Ik schoot onmiddellijk overeind en excuseerde me. Ik ging rechtop zitten. Slapen lukte niet meer. Gelukkig maar, anders had ik niet opgemerkt dat nauwelijks vijf minuten later de wagondeur behoedzaam werd geopend en twee mannen in regenjas binnenkwamen. Ik volgde ze aandachtig. Ze namen de passagiers een voor een op. Direct was me duidelijk wat ze hier kwamen doen. Ze waren op zoek naar mij. Wat kon ik uitrichten in een rijdende trein? Ze waren nog aan het andere einde van de wagon. Ik kon me slapende houden, maar dat was waarschijnlijk zinloos. Als ze het inderdaad op mij hadden gemunt, dan hadden ze ook een goed signalement gekregen. Ik nam met enige moeite mijn jas van de haak en keek opnieuw in het verstoorde gezicht van de dame met vilthoed. Haar boek hield ze goed vast.

Ik haastte me naar de andere kant van de trein. Bij het sluiten van de schuifdeur aan het einde van het rijtuig zag ik dat ze me niet hadden opgemerkt. Via een sluis bereikte ik het volgende compartiment. Uit het raam zag ik dat we een woest en kaal bergland doorkruisten. Op een station hoefde ik voorlopig niet te rekenen. Kyle of Lochalsh was verder weg dan ooit. Ik stond te wachten tot een forse meneer aan de kant zou gaan, toen achter me de coupédeuren werden geopend. Ik draaide me niet om, maar liep gauw verder. Zodra ik ook dit rijtuig uit was, versnelde ik mijn pas en stak nog twee complete treinstellen door. Maar daar kwam een abrupt einde aan mijn vlucht. Door een vieze ruit keek ik uit op de kolentender en de rookwalmen die de schoorsteen uitstootte. Als ik niets deed, zou ik binnen luttele minuten worden ingerekend.
Mijn hart bonkte, maar ik aarzelde niet. Hard trok ik aan de noodrem. Met ijselijk gesis begon de trein vaart te minderen. Ik probeerde de buitendeur, die tot mijn geluk opendraaide.

This website is built by byKosmo.